och was ik maar een ware dichter
zonder zelfspot rende ik rot
een pijp al zuigend
een baard laten staan
mijn kleding tot het diepst versleten
de vrouwen zijn verzot
een ware dichter herkent men
aan liefdevol gerijmel
mooie zinsneden opbouwend
op momenten van weleer
door niemand werkelijk begrepen
maar vormgevend naar veel meer
al kijkend naar het domme volk
geen boek gelezen, hoe kan het toch
nee, luisterend naar mijn diepe wezen
dat verhoogd uw aller geluk
een mengelmoes van mooie woorden
als staand met een notitieblok
vrienden komen vrienden gaan
niemand heb ik echt nog nodig
als uitgesproken waar talent
zullen velen mij bekoren
zolang ik maar mijn rijmsels deel
waarvan men mij herkend
och was ik maar een ware dichter
dan proefde ik de roem
dan stond ik niet in deze wereld
onbegrepen maar zo gewild
helaas ben ik een botte hork
zonder waarlijk enig iets fatsoen